 |
|
2212 Geen mens meer
is november 2011 verschenen
2212 GEEN MENS MEER
(voor tekstfragment doorscrollen)
Toekomstroman van Ewout Storm van Leeuwen. Scenario minus plus: Homo Sapiens is vervangen door een nieuwe vorm, half elf, half natuurwezen, maar met het vermogen te scheppen. Een kluizenaar leidt een buitenaardse onderzoeker rond over een verwoeste wereld, waar de nieuwe elfen en natuurwezens vertwijfeld proberen de verstoringen in het gareel te krijgen.
224 pagina's A5 paperback ISBN 9789072475152 € 17,50

Deze toekomstroman is gebaseerd op onveranderd menselijk gedrag gedurende de komende jaren. Wat zou er gebeuren als...?
Er zijn meerdere werkelijkheden in het verhaal van de kluizenaar. Zoals het etherische rijk, dat het bewustzijn herbergt dat aan materie zijn vorm en functie geeft. Het bestaan en de werkingen van het etherisch rijk zijn (onder andere) door de helderziende Rudolf Steiner onderzocht en neergelegd in de antroposofie. Dat is een beschrijving, geen theorie.
In deze roman zijn half materiële wezens en lichtwezens als engelen en natuurwezens, reëler dan de – uitgestorven – Homo Sapiens.
Een derde element is de komst van de Reiziger van de Ruimte. Zoals de kluizenaar staat voor gevoel en geheugen, zo staat de onderzoeker uit de ruimte voor ijzeren logica. Aangetrokken door de al een eeuw geleden gestopte radiouitzendingen van muziek, die als een lichtjaren dikke schil van elektromagnetische straling door de ruimte reist.
Dus toch gevoel. De twee kunnen veel van elkaar leren.
In het tweede deel van dit boek heeft de kluizenaar zijn neerslachtigheid overwonnen en reist de Aarde rond, op zoek naar steun voor zijn herstelplannen. Zijn metgezellen zijn natuurwezens, elementalen, beschermgeesten en de grote geestwezens van de diepzee en de lucht. En af en toe iemand van zijn eigen soort: Nieuwe Elf, zoals de Ruimtereiziger hen noemt, of Nieuwe Mens, zoals sommigen zichzelf noemen. Homo Elementalis Novus.
Materieel genoeg om materie te kunnen hanteren, geestelijk genoeg om louter van zonlicht te leven en zelfs om zijn lichaam te kunnen aanpassen voor tochten onder water. Of in gesteente.
Teksfragment
1
In de opening van een ondiepe grot stond een kluizenaar te luisteren.
De wereld in het dal was stil, op wat geluiden van nachtdieren na. Het was echter niet geluid dat door trillen van de lucht werd overgebracht waar hij naar luisterde. Hij was opgestaan vanwege een nieuwe aanwezigheid, ver weg en niet kenbaar. Het maakte geluid in het etherische veld.
Hoewel in zijn huidige bestaan angst geen rol van betekenis speelde, kon hij zich wel herinneren hoe dat gevoeld had. Meer dan een diepe ongerustheid bracht het onbekende geluid echter niet teweeg.
De aanwezigheid was beslist niet aards, besloot hij na lange tijd geluisterd te hebben. Hij ving geen ‘valse tonen’ op. De aanwezigheid behoorde zeker niet tot de vanouds bekende parasiterende buitenaardsen.
Het zou natuurlijk een nieuw soort onvriendelijke bezoeker kunnen zijn.
Het geluid kwam uit het zuiden. Als hij...
Hij liep het pad op naar de top van de berg. De hemel begon in het oosten al op te lichten, maar recht boven hem schitterden de sterren nog in het blauwzwarte uitspansel.
Op de top richtte hij zijn blik naar het zuiden. Het etherische gezoem, als je daar van kon spreken, kwam onmiskenbaar uit die richting. Maar niet van een bepaald punt, meer verspreid. Alsof het hemelgewelf zelf zoemde. Het bracht een opgewonden, bijna feestelijk gevoel teweeg.
De sterren verbleekten; een donkere streep begon zich af te tekenen in de blauw kleurende hemel. De streep liep in een wijde boog van het zuidoosten naar het zuidwesten. Waarschijnlijk was het de bron van het geluid.
In het aanzwellende licht vervaagde de streep. De kluizenaar besloot over te schakelen naar het tweede gezicht. Hij deed dat niet graag: de overweldigende hoeveelheid informatie die hij dan over zich heen kreeg was verwarrend en zelden verhelderend.
De streep stak scherp af tegen de met golvende kleuren gevulde hemel. Hij had beslist met de nieuwe aanwezigheid te maken. De streep wás misschien wel de nieuwe aanwezigheid.
De kluizenaar wierp – na enige aarzeling, maar hij voelde nog steeds nergens gevaar – zijn geest naar buiten.
Hij was ergens verbaasd over zijn eigen, laconieke reactie toen zijn peilende geest ontdekte dat de band rond de hele planeet liep. Had Gaia een ring gekregen? Net als Saturnus?
Er was bewustzijn in de ring, afstandelijk, metend. Er was een gevoel van verwantschap, maar ook vreemdheid. Het nieuwe bewustzijn was vanuit de ruimte verschenen, liet het in universele begrippen weten, om iets te onderzoeken dat van deze planeet kwam.
De kluizenaar was zich scherp bewust dat hij op dat moment van zijn vaste overtuigingen afstapte. Want ondanks de dodelijke scepsis waar hij onder gebukt ging, was er hoop, diep verborgen in zijn ziel, dat de Hoeders van de Aarde terug zouden komen. Misschien, dacht hij tegen beter weten in, hebben ze een andere vorm aangenomen.
Hij zond een uitnodiging om kennis te komen maken, waarbij het hem niet mee viel om zijn weerstand te overwinnen. Het contact zou het einde van zijn kluizenaarschap betekenen.
De uitnodiging werd aanvaard. Opgelucht verliet hij het ongewisse tweede gezicht en liep in het heldere ochtenlicht de berg af naar zijn grot. De stabiliteit van de materiële wereld was op dit moment geruststellender dan ooit.
Het duurde enkele dagen voordat het onbekende bewustzijn zich bij de grot meldde. De kluizenaar zat het vroege zonlicht in te drinken toen onverwachts een pokdalige ijzeren kogel zijn gezichtsveld binnenrolde. Hij schrok. Hij begreep echter onmiddellijk dat de vreemdeling geen eigen gedaante had en de bol gebruikte als meest voor de hand liggende vorm om vanuit de ruimte de Aarde te kunnen bereiken.
Hij beheerste zich.
‘U komt van verre?’ opende hij beleefd het gesprek, in de voorzichtige hoop dat zijn gedachtentaal begrepen werd door het buitenaardse bewustzijn.
Tot zijn aangename verrassing antwoordde het vreemde bewustzijn: ‘From outer space.’
‘U spreekt Engels! Een mensentaal!’
‘Ik moet het van u opgepikt hebben,’ beaamde het bewustzijn op bescheiden toon. ‘Het zijn uw gedachtenwoorden. Ik ben in de kern een empathisch wezen.’
‘Mag ik weten wie ik voor me heb?’ vroeg de kluizenaar. De wijze waarop het gesprek zich ontvouwde beviel hem. Er was een verrassend wezenlijk contact met de vreemdeling.
‘Ik ben een ruimtereiziger. Mijn soort bereist de ruimte op zoek naar kennis.’
‘De ring rond de planeet... is het uw voertuig?’
‘Het is mijn fysieke lichaam. Althans het grootste gedeelte ervan. Een gedeelte is achtergebleven bij mijn reizer, of voertuig zoals u zegt, ver buiten dit zonnestelsel, een miniem gedeelte ziet u hier voor u. De ijzeren bol dient als mijn focus.’
‘U kunt uw lichaam splitsen?’
‘Vanzelfsprekend. Maar ik heb zelf een dringende vraag naar aanleiding van uw uitroep. Wilt u daar op antwoorden?’
‘Als ik kan. Stel uw vraag alstublieft.’
‘U spreekt over ‘mensentaal’. Wat bedoelt u daarmee? Uit uw uitroep begrijp ik dat het voor u ongewoon is. Verder bespeur ik dat u er uzelf niet mee bedoelt en dat u uw uitroep betreurt. Met uw vragen probeert u mij op een ander spoor te brengen. Desalniettemin vraag ik u om uw opmerking toe te lichten. Het ontbreekt mij aan cruciale kennis.’
De kluizenaar zat de kogel een beetje gepikeerd aan te kijken. Toen hij besefte dat zijn ergernis hemzelf betrof en niet het vermogen van de ander om hem te doorzien, besloot hij zijn uitroep te verklaren.
‘Uw opmerkzaamheid is bewonderingswaardig,’ gaf hij met tegenzin toe. ‘Inderdaad ben ik geen mens. De taal waarin u en ik momenteel communiceren, met woorden, betekenissen en concepten, is echter afkomstig van vroegere bewoners van deze planeet.’
‘U heeft hun taal tot de uwe gemaakt, begrijp ik?’
‘Ja,’ zei de kluizenaar, vechtend tegen een opkomende treurigheid. ‘Het is een van de verworvenheden van de mens die mijn soort zich eigen heeft gemaakt.’
‘Waar was dat voor nodig? Had u zelf geen taal? Het schijnt onlogisch, maar ik kan me vergissen. Ik heb nog weinig kennis.’
‘Hun taalvermogen was geweldig breed. Ze hadden zelfs veel verschillende talen. Duizenden. Het stramien van elke taal was echter hetzelfde en bestond uit klanken. Zij deden de lucht trillen met behulp van organen. Daarnaast bestond hun taal uit houdingen van hun lichaam, strakheid van hun spieren en gecodeerde bewegingen. Zij beschikten niet alleen over een uitermate subtiele klankbeheersing: blikken in hun ogen konden betekenissen toevoegen of juist logenstraffen.’
Het bleef even stil.
‘Waarom zo ingewikkeld?’
‘In tegenstelling tot u en ik, was de mens psychisch afgescheiden van zijn soortgenoten en van zijn omgeving. Er was geen direct contact van geest tot geest mogelijk. Daarom was hij aangewezen op de uiterlijke manifestatie van de materie in zijn laagste trillingen. Wij maken nu gebruik van hun taal omdat we elkaar nog niet vertr... kennen.’
‘Niet...? Wacht, niet alles tegelijk. Taal. U beweert dat er een volk bestaan heeft dat... blind en doof door het leven moest gaan? Neem me niet kwalijk, maar ik kan er geen betere woorden voor vinden.’
De kluizenaar knikte. Weer ervoer hij enige gepikeerdheid over de stelligheid waarmee de vreemde entiteit zich uitdrukte. ‘Er was wel enige mate van gedachtenoverdracht, maar daar waren ze zich nauwelijks van bewust. Voor hun communicatie raakten mensen gedurende hun evolutie steeds meer aangewezen op hun stem.’
‘Stem?’
‘Een ingenieuze lichamelijke inrichting van trilvliezen, vervormbare holtes en bewegende delen waarmee ze uitgeblazen lucht op een verfijnde manier in trilling konden brengen. Fysiek geluid.’
‘Mij bereiken op dit moment luchttrillingen met bepaalde harmonieën vanuit het dal onder ons. Het is afkomstig van kleine vliegende wezens. Bedoelt u dat?’
‘Dat zijn zingende vogels. Sommige mensen konden nog mooier zingen.’
‘U noemt dit aangename geluid dus zingen.’
‘Ja. Mensen konden met hun stem niet alleen met elkaar praten, ze konden zingen en zelfs tegen elkaar liegen.’
‘Liegen?’
‘Onwaarheid spreken.’
‘Ik ken de betekenis van de woorden, maar de combinatie is onlogisch. Wat bedoelt u met ‘liegen’?’
‘Stel u voor dat u een meester bent in het tot expressie brengen van uw gedachten in geluidstrillingen, gelaatsuitdrukking en gebaren. U bent al even bedreven in het duiden van de uitingen van uw medemensen. Het spreken met geluid, gelaatsuitdrukking en gebaren zijn echter mentale handelingen: u bedenkt wat u gaat zeggen, voordat u spreekt. Met uw denken kunt u uw ware bedoelingen maskeren. Bij gedachtenoverdracht kan dat niet: uw gesprekspartner weet dat meteen. Bij geluidsoverdracht kunt u elk woord, elke taal bezigen die u goed dunkt. Uw luisteraar heeft niets anders om op af te gaan dan uw geluiden en lichaamstaal en zijn ervaring voor de interpretatie ervan.’
‘Werkelijk?’
Ik kan u nog wel sterkere staaltjes vertellen over de mens...’
‘Wacht, wacht! Niet teveel tegelijk.’
De kluizenaar bleef wachten tot de ander liet blijken dat hij het gesprek kon voorzetten.
‘Ik kan het niet plaatsen, het spijt me. Het ontbreekt me aan referenties,’ zei de reiziger na een tijd. ‘Wel dringt zich opnieuw de vraag op: wie waren die mensen waar u het over heeft? Bestaan ze nog? Zo niet, wanneer zijn ze dan verdwenen?’
‘Waarom bent u zo in mensen geïnteresseerd?’
‘Ik vermoed dat zij te maken hebben met mijn onderzoek. Zijn er nog mensen, vraag ik u nogmaals?’
De kluizenaar schudde met tegenzin zijn hoofd. ‘Nee, de laatsten zijn meer dan honderd omlopen geleden gestorven.’
‘Gestorven? Ik begrijp... Maakten zij soms harmonieën in geluid?’
‘U heeft daarvan gehoord?’ vroeg de kluizenaar. ‘Hoe kan dat? Het is al veel meer dan honderd omlopen geleden dat er voor het laatst muziek heeft geklonken.’
De reiziger verbrak de verbinding. ‘Tot later,’ was alles wat de kluizenaar nog thuis kon brengen.
Verwonderd bleef de kluizenaar naar de ijzeren kogel kijken.
|
|