Lees hier de eerste 10 bladzijden
Hoofdstuk 1
Dwalen in het woud
Voor hen klonk een luid gekraak. Geschrokken doken de vier kinderen in elkaar. Liep daar achter die omgevallen woudreus een groot beest? Een beer misschien? In deze wilde bergen kon je nog van alles tegenkomen...
Het gekraak herhaalde zich niet. Wel hoorden ze geritsel, alsof iets door de struiken gesleept werd. Het bewoog zich van hen af, dezelfde kant op die zij gingen.
Blauwige nevels hingen bewegingloos tussen de boomkronen. Het vroege zonlicht wierp schuine banen door het bladerdak.
Daar! Een torenhoge schaduw bewoog zich langs de oplichtende nevelbanen. Wat kon er zo groot zijn?
Met de schrik in de benen draaiden de kinderen zich om en slopen een andere kant op. Ze stapten achter elkaar aan over smalle wildpaadjes en zorgden ervoor geen geluid te maken.
Op een open plek kropen ze dicht bij elkaar en luisterden of het gekraak achter hen aan was gekomen. Maar het bleef stil.
Pas na een hele tijd durfden ze verder te gaan.
Aarzelend stonden ze op en keken om zich heen. Ze waren alle gevoel voor richting kwijt! Waar was het spoor dat hen hier had gebracht? Alle paadjes leken op elkaar.
‘Zijn we nu verdwaald?’ vroeg Wendy met geknepen stem.
‘Hoe kan dat nou!’ Lucy liet zich niet zo gemakkelijk van de wijs brengen als haar tweelingzus. ‘Hebben we een kompas?’
Ze zochten in hun broekzakken, jaszakken, rugzakken, maar ze vonden geen kompas.
‘Stom, vergeten,’ zei Michaël spijtig. ‘Mijn kompas zit in de zak met kampeerspullen, in het pension.’ Hij keek omhoog of hij de zon kon zien, maar de lucht was intussen helemaal dicht getrokken. Er was alleen maar grijs licht.
De kleine Diana trok aan zijn mouw. ‘Kom,’ fluisterde ze, ‘ik weet welke kant we op moeten.’
Zonder protest lieten ze zich door haar een wildspoor op leiden. Ze voerde hen langs open plekken, waar oude kolossen van bomen lagen te vermolmen en helderwitte berkjes en metalig glanzende lijsterbessen torenhoog opschoten. In hun streven naar licht waren de jonge scheuten uitgerekt als kauwgomdraden: hun iele stammetjes waren soms maar zo dik als een duim. De nevel leek alles wel van binnenuit te verlichten tot alle stammen en bladeren glansden alsof ze ingeolied waren.
Diana bleef weifelend staan toen ze een veelbelopen wildspoor kruisten.
‘Kijk,’ fluisterde Lucy, die op haar hurken ging zitten om iets op de grond te bestuderen. ‘Sporen van een heel groot hert, kijk maar, de prenten zijn diep.’
‘Welke kant gaan ze op?’ wilde Wendy weten. Ze voelde er niets voor om zo’n enorm beest tegen te komen.
‘Beide kanten.’ Lucy porde met een stokje in de grond. ‘Ik denk het laatst naar rechts, die prenten lijken me later gemaakt.’
‘We moeten in ieder geval terug naar het riviertje,’ zei Michaël bezorgd. ‘Welke kant van het pad gaat omlaag, denk je?’
‘Rechts.’
‘Ja, dat dacht ik ook. Kom, we gaan naar rechts. Zo’n hert is banger voor ons dan wij voor hem.’
‘Ga jij dan maar voorop,’ griezelde Wendy.
Michaël nam Diana bij de hand en ging het brede wildpad op. Hij vond het fijn om weer vooraan te lopen en de leiding te hebben over hun expeditie. Want voor hem was hun boswandeling een ontdekkingsreis. Hij was er op uit om nieuwe dingen te vinden, over paden te gaan waar geen mens ooit had gelopen. Eigenlijk hoopte hij dat ze op een wonder zouden stuiten. Niet eng gekraak van onzichtbare bosbewoners, maar... iets moois. Het verlangen was heel sterk, hier, in dit wonderlijke woud. Het voelde zelfs als een belofte: als hij zijn uiterste best deed en goed zocht zou hij het... (haar?) wellicht kunnen vinden. Zijn hart klopte in zijn keel bij elke bocht...
Het spoor leidde na een tijdje over een ruige helling waar bemoste rotsblokken verspreid lagen onder een hoge klif, als versteende trollen die zich door de zon hadden laten verrassen.
Er glinsterde water dat in een dunne laag over het steenachtige pad vloeide. Het leek of ze door een dorp van dwergjes liepen, waar alle bewoners in hun huisjes en holen waren gevlucht.
Diana lachte toen Wendy zoiets opmerkte. ‘Dat is ook zo,’ zei ze.
De tweeling keek elkaar aan: zouden ze hier een bloemenkrans voor het onzichtbare volkje maken, een elfenhuisje?
Of was dat te kinderachtig nu ze dertien waren?
Omdat ze het niet wisten liepen ze door, maar eigenlijk hadden ze onder stenen en in holletjes willen gluren om te zien of Diana niet toch gelijk had.
Na een hele tijd werd het voor hen uit lichter.
‘We komen weer bij een open plek,’ fluisterde Michaël. ‘Nu stil zijn, misschien zien we...’ Hij durfde niet uit te spreken wat hij hoopte te zien.
Verscholen tussen de takken spiedden ze rond.
Hun geduld werd beloond. Konijnen huppelden in het zicht en gingen verder met knabbelen en graven waar ze gestoord waren door de voetstappen van de kinderen.
Toen, opnieuw gekraak, hoefslagen als van een paard, maar er was niets te zien. Ze hielden hun adem in.
Uit een onzichtbaar wildpad kwam een enorm hert tevoorschijn; de meisjes knepen elkaar en hun broer van opwinding. Het verscheen als een duvel uit een doosje; ze hadden het amper zien bewegen.
Michaëls romantische verlangen naar een elfenmeisje was op slag overstemd. Deze verschijning was van een hele andere orde. Dit was duidelijk een machtig natuurwezen.
Over de open plek heen keek de oude hertenbok hen recht in de ogen. Ze voelden opeens van alle kanten ogen op zich gericht. Enkele konijnen zaten rechtop naar hen te kijken; maar het waren beslist niet allemaal dieren die naar hen keken...
Het hert neeg de zware kop met het geweldige gewei, als in een groet.
Beleefd beantwoordde Michaël het saluut door zijn hoofd eveneens te buigen. Het hert keek hen strak aan, draaide zich met vloeiende, brede bewegingen om en deed een paar stappen. Het keek achterom: waar bleven ze nou?
Toen het tussen de takken gleed, volgden de kinderen. De konijnen hipten op hun gemak uit de weg, niet van zins zich een tweede keer te laten storen door de tweevoeters.
Het grote dier leidde hen langs allerlei kronkelpaadjes naar een ruime open plek aan het riviertje. Daar bleef het staan en draaide zijn kop naar hen toe, alsof hij wilde vragen of ze begrepen hadden dat ze hier moesten zijn.
Verwonderd keken ze om zich heen, toen naar elkaar en weer in het rond. Waar was dat hert zo gauw gebleven? Geen takje had bewogen, geen stap was te horen geweest. Hadden ze het gedroomd? Nee, ze hadden de afdrukken van zijn hoeven toch in de modder zien staan?
Hand in hand wandelden ze de open plek op. Een eenzame woudreus beheerste de hele ruimte. Met grote ogen bekeken ze de gigantische beuk. Aan zijn voet kronkelden zware wortels als voorwereldlijke reuzenslangen over de met dorre bladeren bedekte grond. Bloeiende graspollen en vingerhoedskruid staken ertussen omhoog. Hoger op de reusachtige stam ontsproten takken zo dik als bomen aan de grijze schors.
Ze gingen er omheen staan en probeerden met hun vieren de stam te omvatten. Dat lukte maar net.
‘Jee, wat een reus,’ zuchtte Wendy. ‘Dit is de grootste boom die ik ooit heb gezien.’
De anderen knikten. Wendy had hardop gezegd wat ze op dat moment allemaal dachten.
Diana kon niet genoeg krijgen van de boom. Ze streelde de knoestige wortels, liet haar handen in spleten en holletjes glijden en legde tot slot haar wang tegen de stam terwijl ze zacht neuriede.
‘Kom, we gaan eten,’ nodigde Lucy uit, terwijl ze hun etenswaren op een doek uitstalde. Diana liet zich van een dikke wortel in een uitholling glijden, waar ze als een prinses op een troon presideerde.
Ze aten de meegebrachte broodjes en genoten van de romige melk die ze van de pensionhoudster hadden meegekregen.
Het was stil en vredig; de ontelbare vogels en ruisende bries in de kruinen zongen een lied van wind en licht en veiligheid. Het duurde niet lang of ze vielen in slaap.
Hoofdstuk 2
Onverstaanbare boodschappen
Michaël droomde dat hij op zijn rug lag. Boven hem welfde zich een zwarte hemelkoepel, bespikkeld met miljoenen bewegingloze sterren. Hij wist dat vlak naast hem anderen waren, onbekenden, maar hij kon zijn hoofd niet opzij draaien. Hij kon zich helemaal niet bewegen. Hij had zelfs geen lichaam om te bewegen.
Er woelde een hevig verlangen door hem heen om die wezens naast hem te zien, maar zijn blik bleef star gericht op de roerloze sterrenhemel.
Hij wist dat ze naar hem keken en iets vroegen, maar hij kon hen niet verstaan. Bijna meende hij te begrijpen wat er gezegd werd, maar de klanken gingen te snel en vloeiden langs hem heen zonder een betekenis achter te laten.
De stemmen werden steeds nadrukkelijker, alsof ze een dringend beroep op hem deden. Wanhopig trachtte hij er iets van te begrijpen, maar hij kon zelfs geen woorden uit de willekeurige geluiden opmaken. Hij dacht dat ze zijn naam riepen, maar het leek of een vlies alle betekenissen tegenhield. Een gevoel van verlies maakte hem zo verdrietig dat hij in zijn droom wel dood wilde.
Het onvervulde verlangen naar die wezens bleef aan hem knagen toen hij duizelig overeind was gaan zitten. Zijn hoofd leek wel vol met watten te zitten, met een knellende band er omheen.
Verwezen keek hij rond.
Hij had gefaald. Hij had de boodschappen niet begrepen. Het galmde als een allesoverheersende echo in zijn hoofd: er was een unieke kans voorbijgegaan.
Hij stond op; hij wilde zijn gezicht in het riviertje wassen om helder te worden. Het water rook echter vreemd: zoetig muf en metalig scherp tegelijk, zodat hij er maar van afzag.
Er stonden veel dode bomen langs het water. Dat viel hem pas op nadat hij het water had geroken. De oevers waren kaal, zonder enige begroeiing. Zelfs geen mos. Hij vond het vreemd, maar het kwam niet bij hem op naar de oorzaak op zoek te gaan.
Hij draaide zich met een ruk om, had iemand hem geroepen? Nee, de meisjes sliepen nog, zo te zien.
Er hing een sfeer van verwachting rond de gigantische beuk waar ze onder lagen. Omhoog turend verloor hij zijn oriëntatie in de wijde kruin, waar laag na laag van takken en bladeren een eigen universum leken te vormen. Het leek hem opeens onzinnig fijn om daarin te kunnen wonen en te wandelen over de dikke horizontale takken. Waarom was dat niet voor mensen weggelegd?
Bevangen door een verlangen dat hij niet thuis kon brengen ging hij op de grond zitten met zijn hoofd tussen zijn handen. Waarom zaten ze hier? Wat gebeurde er toch allemaal? Hoe waren ze eigenlijk hier terechtgekomen?
In gedachten beleefde hij de voorbije ochtend opnieuw, op zoek naar antwoorden.
Het was er mee begonnen dat Diana zich vanochtend weer beter voelde en dat het voor het eerst sinds dagen droog was.
Eindelijk konden ze naar het bos. Ze hadden er al dagen naar uitgekeken, maar het had al die tijd onafgebroken geregend.
Ze waren in alle vroegte vertrokken met rugzakjes vol eten en drinken en, voor de zekerheid, regenkleding. Net voor de brug hadden ze een paadje langs het riviertje genomen. Bij stroomversnellingen klaterde en bruiste het snelstromende water, maar dat verdiepte de rust alleen maar. Hier en daar onderbrak een uit de aarde barstende rotspartij of een groepje bomen de glad gegraasde hellingen.
Het bos had er vanuit de verte uitgezien als het borrelende schuim aan de voet van een stroomversnelling. Dat lijkt ook voortdurend omhoog te kruipen, terwijl het eeuwig op de plaats blijft waar het geboren wordt.
Ze waren even blijven staan aan de bosrand, waar het open terrein overging in de met varens begroeide ruimte onder de bomen. Met korstmossen begroeide eiken strekten hun breed uitwaaierende takken uit over de rand van de weilanden. Witgrijze koeien met lange horens lagen eronder te herkauwen en hadden hen zonder enige interesse bekeken.
Aangetrokken door het verwachtingsvolle halfduister waren ze het pad op gegaan dat het bos in liep. Het was breed en vrij van begroeiing. Toch hadden ze het idee dat hier nooit een mens kwam, dat het pad alleen voor hen bestond. Geen afdruk van mensenschoenen was in de modder te bekennen.
Ze waren het woud binnengegaan en bevonden zich op slag in een andere wereld. Er was iets van hen af gevallen, het leek wel of hun zorgen buiten het bos achterbleven.
Overal waar de zon de grond kon bereiken was de bodem bedekt door glanzend groene plantjes met oplichtende witte bloemetjes en dansende zonnevlekken, afgewisseld door donkere schaduwen tussen zware stammen waar het bladerdak erg dicht was. Majestueuze beuken rezen hemelhoog. Tussen hun onderste takken speelden licht en schaduw op de glanzende bladeren. Ze hadden als in een droom door het stille woud gezworven, dat toch vol geluiden was: geritsel, geruis van wind in verre kruinen en ontelbare vogels. Spechten wisselden hun staccato boodschappen uit, hoog vanuit dode stammen; ver weg krasten kraaien.
Ze waren over omgevallen, wegterende stammen geklommen, door varens en tapijten van bosbessen gewaad; even verder waren ze door groen oplichtende velden lelietjes van dalen geslopen, op hun tenen om de plantjes niet te kneuzen.
Met heimwee dacht Michaël terug aan de tijd dat hun ouders nog bij elkaar waren. Zover als zijn herinneringen teruggingen, hadden ze tijdens vakanties in ontoegankelijke natuurgebieden gekampeerd en gespeeld. Ze waren over geheime paden gelopen, hadden stil als een kat schuwe dieren leren besluipen. Al spelend hadden hun ouders hen vertrouwd gemaakt met het leven – en hoe te overleven – in een omgeving waar zelden mensen komen.
Waarom was dat opgehouden? Wat was er toch tussen Pap en Mam gebeurd?
Met een benauwde kreet schoot de tweeling tegelijk overeind. Geschrokken knielde hij bij hen neer. ‘Wat is er, zijn jullie gestoken?’
Ze grepen hem met trillende handen vast en staarden niets ziend omhoog. Geleidelijk zag hij het besef in hun ogen terugkeren. Hij huiverde, want hij had even tevoren hetzelfde meegemaakt.
‘Hebben jullie ook zo gedroomd?’ fluisterde hij. Het leek hem niet passend om luid te praten.
Ze knepen hem allebei in een arm en knikten, nog niet bij machte te spreken. Ze keken alledrie als bij afspraak naar Diana, maar die lag met een gelukzalige glimlach te slapen. Ze leek in haar droom te praten.
‘Net een elfje,’ mompelde Wendy.
‘Ik droomde dat ik me niet kon bewegen,’ fluisterde Lucy.
‘Jij ook? Ik ook!’ fluisterden Michaël en Wendy tegelijk.
‘Ik werd geroepen, maar kon het niet verstaan.’
De andere twee knikten. Dat hadden ze ook gedroomd.
Ze hielden de wacht rond Diana tot ze vanzelf wakker zou worden. De droom lag nog zwaar in hun benevelde hoofden; de urgentie van de niet begrepen boodschappen zinderde nog door hun zenuwen.
‘Volgens mij gaat het weer regenen,’ fluisterde Wendy na een tijdje. ‘Wat zullen we doen?’
‘Laten we nog even wachten. Misschien trekt het over.’
‘Ik vertrouw het niet,’ zei Michaël. ‘We gaan terug.’
‘Terug?’ Lucy scharrelde overeind om het pad te zoeken waarlangs ze op de open plek waren beland. ‘Hoe dan?’
‘O, kijk!’ Wendy wees de andere kant op.
Lucy en Michaël stonden ook op en zagen waarom Wendy’s stem zo verbaasd had geklonken.
Langs het riviertje liep een paadje. Dat moest hetzelfde pad zijn dat ze aanvankelijk het bos in gevolgd hadden. Hoe ze dat kwijtgeraakt konden zijn begrepen ze niet, maar het maakte het teruglopen naar het dorp een stuk makkelijker.
Diana was niet goed wakker te krijgen, zodat Michaël haar moest dragen.
Zonder problemen passeerden ze het punt waar ze op de heenweg verdwaald waren. Het pad liep feitelijk gewoon door, maar het werd afgesloten door de laaghangende takken van een paar taxusbomen. Lucy en Wendy bogen ze opzij zodat Michaël er met zijn slapende last langs kon. Toen hij omkeek was de doorgang verdwenen, alsof hij er nooit was geweest.
Aan de rand van het bos zette hij Diana neer.
‘Vanaf hier zal je zelf moeten lopen, kleine muis,’ steunde hij. ‘Ik ben te moe om je verder te dragen.’
Nauwelijks wakker liet ze zich door haar zussen bij de hand voortzeulen.
Toen ze het dorp binnenkwamen, werden ze overvallen door een hevige bui. Het stonk er afschuwelijk, want door de felle regen werd bruingele rook uit de schoorsteen van de fabriek die langs het spoor stond, naar de grond geslagen.
In het pension werden ze opgevangen door een bezorgde pensionhoudster. Er was niemand meer, vertelde ze verslagen. Vanwege de stank van de fabriek waren de paar andere gasten die ochtend vertrokken.